De stad is concentrisch opgebouwd, maar organisch gegroeid: dichter en hoger in het midden, ruimer en groener naar buiten, met water dat als een rivier door alle ringen slingert.
Geen passer-cirkels, maar een vorm die is gegroeid alsof de stad zich in de tijd heeft uitgebreid. Elke laag heeft zijn eigen dichtheid, zijn eigen leven, zijn eigen plek in het geheel.
Water is het herkenningsteken. Grachten met werven en terrassen op het water, in de geest van Utrecht, maar dan als een tweede leeflaag in plaats van decoratie. Regen wordt opgevangen in grachten, wadi's en vijvers die tegelijk natuur, koeling en buffer tegen hoosbuien zijn.
En het gaat verder. De waterzuivering voedt de planten in de kwekerijen, waardoor water één kringloop wordt die drinken, koelen, voedsel en identiteit aan elkaar knoopt. Het is de bloedsomloop van de stad, geen versiering.
Bewust niet uniform. De ene wijk is warm hout en groen, de andere oud beton dat langzaam door planten wordt ingenomen. Die diversiteit lost het grootste probleem van geplande steden op: dat ze steriel en zielloos aanvoelen. En ze geeft je keuze, want net zoals mensen zich naar een buurtschap trekken dat bij hun leven past, kiezen ze een wijk die bij hun smaak past. Onder de grond zit de techniek, het parkeren en de logistiek. Boven de grond alleen mensen en groen, met geen enkele woning verder dan een steenworp van echt groen.
En zo houdt ze zichzelf draaiende: met eigen energie, water en voedsel.
Naar Zelfvoorziening